
Hartspierziekten komen vaak voor bij katten. Anders dan bij de hond zijn deze meestal het gevolg van een hartspierziekte en niet van hartkleplijden. Deze spierzieke wordt cardiomyopathie genoemd waarbij het ‘cardio’ op hart slaat ‘myo’ op spier en ‘pathie’ op ziekte. Cardiomyopathie is in sommige gevallen een erfelijke ziekte en er wordt dan ook op gescreend voordat er met katten wordt gefokt. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de dierenarts die zich heeft toegelegd of gespecialiseerd op echocardiografie. In de toekomt zullen mogelijk ook genetische testen beschikbaar komen waarbij via bloedonderzoek kan worden nagegaan of de poes drager is van het gen dat de ziekte kan veroorzaken.
Bij de kat is meestal sprake van een hypertrofische cardiomyopathie. Hierbij treedt een verdikking van de hartspierwand van de linker kamer op. In de loop van de tijd verergert dit waardoor er steeds minder ruimte in de hartkamer overblijft. Zo kan minder bloed worden rondgepompt, hierdoor treedt een zuurstoftekort op wat een schadelijk effect heeft op de organen. Ook de hartspiercellen zelf zullen door de veranderingen tekort aan zuurstof krijgen; dit kan hartritmestoornissen tot gevolg hebben. Door stasis van bloed ontstaat er kans op thrombosevorming wat eveneens zeer ernstige gevolgen kan hebben, zoals een verlamde achterhand.
De ziekte is echter niet in alle gevallen erfelijk. Er zijn verschillende gekende andere oorzaken, zoals voedingstekorten (bijvoorbeeld een tekort aan de aminozuren Taurine en Carnitine of het Co-enzyme Q), een te snel werkende schildklier of nierproblemen, waardoor een te hoge bloeddruk ontstaat.
Indien een kat klinische symptomen van de ziekte gaat vertonen is het verloop ervan meestal ernstig, acuut en zorgelijk. Net zoals bij nierfalen, gaat ook bij cardiomyopathie de eerst fase, die jaren kan duren, vaak onopgemerkt voorbij tot er plotse dood optreedt of een plotseling hartfalen met slapte, ademnood of zwakte en verlamming van de achterpoten optreedt. Een curatieve behandeling bestaat niet, medicatie die kan worden toegediend is enkel ondersteunend. In sommige gevallen wordt de ziekte eerder opgemerkt, nog voor er ernstige symptomen zijn waar te nemen. Dit gebeurt echter alleen wanneer een kat met regelmaat wordt nagekeken door middel van een echografie van het hart.
Recent onderzoek, zowel bij de kat en de hond als de mens toont aan dat omega 3 vetzuren in hoge dosis toegevoegd aan de voeding (of als siroop gegeven) een preventief effect hebben op het ontstaan van de ziekte maar ook de hartspiervezels beschermen en zo een veel langere overlevingsduur kunnen bewerkstelligen met een langere gezonde periode zonder symptomen.
Visolie en de daaruit verkregen onverzadigde vetzuren hebben verschillende eigenschappen waardoor ze een gunstige uitwerking hebben op hartspierziekten. Ten eerste werken ze ontstekingsremmend en verminderen ze zo de ontsteking van de hartspiercellen. Daarnaast stabiliseren ze de spiercelwand en belemmeren ze zo het binnendringen van bepaalde ionen (zoals calcium) waardoor er minder elektrische onrust ontstaat ( de zogenaamde arrythmie). Deze arrythmie is vaak de oorzaak van plotse dood. Ze kan in de boezems en kamers voorkomen; in beide gevallen is bewezen dat omega-3 vetzuren beschermende en beperkende uitwerking op dit proces hebben. Andere bewezen effecten zijn het verlagen van het abnormaal hoge hartritme, het verlagen van de bloeddruk door verbetering van de elasticiteit van de vaatwanden en de verbetering van elektrische parameters zoals gemeten met het elektrocardiogram. Tevens heeft omega 3 een licht remmende werking op de bloedplaatjesaggregatie wat de kans op thrombosevorming vermindert. In hoge dosering werken omega-3-vetzuren op de plasmalipiden door de triglyceridenconcentratie te verlagen als gevolg van een daling in VLDL-cholesterol. De vetzuren verminderen de synthese van triglyceriden door binding aan de substraatplaats van de enzymen in de lever die verantwoordelijk zijn voor de triglyceridensynthese.
Catoils bevat zo’n hoge dosis omega 3 vetzuren. Per dag dient preventief 1 ml per kat te worden toegediend (tot 5 kg gewicht, het dubbele bij zwaardere katten) om deze beschermende werking te verkrijgen. Als de ziekte zich heeft geuit is het raadzaam om de dosis te verdubbelen.