|
Nieuwe inzichten over de werkingsduur van vaccinaties, maar ook op het gebied van de inzet van serologische tests in de veterinaire praktijk. In de jongste richtlijnen van de AAHA (American Association of Hospital Animals) uit 2006 nemen serologische tests zelfs een prominente plaats in het streven naar ‘Vaccineren op maat’.
Verschillende experimentele studies onder honden en katten hebben de afgelopen jaren uitgewezen dat veel levend geattenueerde entstoffen een dier significant langer beschermen dan de eerder aangenomen periode van één jaar. Zo wees een studie in 2004 van Abdelmagid (et.al) uit dat de immuniteit verkregen door CDV, CPV en CAV-vaccinatie tot wel 7 jaar kan duren (1,2,3). Een geattenueerd levend vaccin voor FPLV, FCV en FHV resulteerde in een immuniteit van 3-5 jaar (4,5). Nog steeds wordt volop onderzoek verricht naar de werking en werkingsduur van afzonderlijke vaccinaties.
De leidende organisaties op het gebied van vaccinaties, de AAHA (American Association of Hospital Animals), de AAFP (American Association of Feline Practitioners) en de WSAVA van de VGG (Vaccination Guideline Group) kwamen in reactie op deze ontwikkelingen in 2006 met een nieuwe, aangepaste vaccinatierichtlijn voor hond en kat. In deze rapporten wordt voor het eerst een drie jaarlijks vaccinatieschema aangeraden voor een aantal agentia, mits een hond of kat de juiste puppyvaccinaties heeft gekregen en aantoonbaar voldoende is beschermd. Pups en kittens moeten hiertoe iedere 3-4 weken worden gevaccineerd vanaf 6-8 weken leeftijd tot een leeftijd van ca. 16 weken (6,7).
In de huidige Nederlandse richtlijnen is deze laatste vaccinatie op 16 weken nog niet overgenomen, en de vraag is of dat wel moet gebeuren. Dit is een goed voorbeeld van een overweging waar de inzet van een serologische test uitkomst kan bieden, hier zal later op worden teruggekomen.
Ook benadrukken de WSAVA-richtlijn uit 2007 en het rapport van de AAHA uit 2006, gesteund door diverse onderzoeken en eerdere publicaties, het nut van ‘vaccineren op maat’. In plaats van het standaard jaarlijks hanteren van de spuit - ieder dier dezelfde cocktail -, moet gewerkt worden aan een individueel vaccinatieschema, passend bij een individueel dier en inspelend op diens leeftijd, leefomgeving, leefgewoontes (mogelijk contact met overbrengers van een ziekte), contact met andere dieren, reisgewoontes, gezondheid en bloedwaardes. Dit ‘vaccinatie-interview’ moet onderdeel worden van de jaarlijkse check-up en kan, maar hoeft niet perse, gevolgd te worden door een vaccinatie.
Serologisch testen?
Het doen van bloedonderzoek om antilichaamwaardes tegen verschillende ziektes te bepalen wordt al langer gedaan. Wil men een hond of kat mee naar het buitenland nemen, dan is het in sommige landen sowieso verplicht om de titer voor Rabiës te laten bepalen. Antilichamenwaardes tegen de core-vaccins werden eigenlijk niet verricht als dat niet door een van hogerhand opgelegde regel hoefde, of er geen vermoeden was van mogelijke besmetting. Bovendien werden titerbepalingen tot voorkort enkel uitgevoerd door een klein aantal laboratoria, wat het een langdurige en vooral kostbare aangelegenheid maakte.
Voor Rabiës geldt dat nog steeds. Sinds kort is het echter wél mogelijk om titerbepalingen voor een aantal core vaccins snel en ‘in house’ te bepalen. Bijvoorbeeld met de Vac ciCheck titerbepaling; een kleine testkit die sinds mei op de Nederlandse markt verkrijgbaar is. Met deze kit kunnen binnen 20 minuten de antilichaam-waarden voor CPV, CDV en CAV-2 of FCV, FPLV en FHV worden gemeten, wat het daadwerkelijk uitvoeren van het door de AAHA aangegeven ‘op maat gemaakte vaccinatieschema’ nu ook meetbaar mogelijk maakt.
Klik hier voor meer informatie over de VacciCheck.
Aan de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht wordt momenteel onderzoek verricht naar de kwantitatieve interpretatie van deze ELISA-test, de resultaten hiervan zullen hoogstwaarschijnlijk in het voorjaar worden gepresenteerd. Ook wordt momenteel - in samenspraak met de enige fabrikant die de registratie van een aantal core vaccins ook daadwerkelijk heeft verlengd naar drie jaar – gewerkt aan een nieuw vaccinatieprotocol waarin de inzet van serologische tests is geïmplementeerd.
Hier leest u de laatste stand van zaken.
Vooralsnog wordt het uitvoeren van een titerbepaling van belang geacht voor drie, of eigenlijk vier, verschillende soorten diergroepen:
1. Pups en kittens van ca. 16 weken: in de richtlijnen van de AAHA staat de laatste pup- en kittenvaccinatie op een leeftijd van 16 weken gesteld. De primaire reden hiervoor is de zeer kleine kans dat de maternale immuniteit op 12 weken nog interfereert met de vaccinatie die op diezelfde leeftijd wordt gegeven.
Recent Nederlands onderzoek (Gerritsen en Egberink: najaarsdag GGG 2006, nog te publiceren), laat echter zien dat > 90% van de op 12 weken voor het laatst gevaccineerde pups beschermd is tegen Parvo. Wat opviel in deze studie was dat ongeveer 20% van de pups onvoldoende beschermd bleek te zijn tegen hondenziekte. Hoewel het risico op hondenziekte klein is, is het inzetten van een titerbepaling op een leeftijd van 16 weken een uitstekende richtlijn om al dan niet te besluiten om een pup nogmaals te vaccineren. Is een pup bewezen geïmmuniseerd dan hoeft niet gevaccineerd te worden en kan worden volstaan met een booster op 1 jarige leeftijd alvorens men overschakelt op een alternerend vaccinatieschema. In sommige gevallen dient één van de componenten te worden herhaald en in heel enkele gevallen blijkt geen van de entingen te zijn aangeslagen; dergelijke ‘nonresponders’ kunnen zo eveneens vroeg worden gesignaleerd.
2. Zieke dieren, oude dieren of dieren die in het verleden slecht op een vaccinatie reageerden. Weerstand is de balans tussen belasting en belastbaarheid. Is deze balans, door wat voor reden dan ook, verstoord; bijvoorbeeld door ziekte, ouderdom of medicatie, dan is het beter om het immuunsysteem met rust te laten en ervoor te kiezen om (tijdelijk) niet te vaccineren. De afweging die hierbij moet worden gemaakt is of de risico’s van het niet-vaccineren van het dier opwegen tegen de mogelijke gezondheidsrisico’s (bijwerkingen) als het zieke of oude dier wel gevaccineerd wordt. Een titerbepaling kan uitkomst bieden bij dergelijke afwegingen; wijst deze uit dat een dier voldoende beschermd is dan heeft men de zekerheid van voldoende bescherming, zonder het risico op over-enten.
3. Dieren met een onbekende vaccinatiehistorie.
Bij dieren die zijn herplaatst zonder vaccinatiegegevens, of bij dieren die zijn gevonden is een titerbepaling nuttig om de titers van het dier te bepalen alvorens deze te vaccineren, maar ook alvorens deze in contact te laten komen met andere dieren.
4. Dieren waarvan de eigenaar niet wil vaccineren.
Niet alleen beroepsbeoefenaars volgen de laatste ontwikkelingen op het gebied van vaccinaties op de voet, een groeiende groep dierenbezitters doet hetzelfde. Deze groep kiest er weloverwogen voor om niet meer standaard te vaccineren tegen Parvo, Hondenziekte en HCC - ook niet driejaarlijks - maar met de titerbepaling te meten wanneer dit daadwerkelijk weer nodig is. Hier is niets in principe niets mis mee. Enten op geleide van de titerbepaling is echter alleen verstandig wanneer het dier op jonge leeftijd de juiste pup- en kittenvaccinaties heeft gehad en bewezen geïmmuniseerd is. Niet-vaccineren uit angst voor ongegronde spookverhalen over bijwerkingen, of de mening dat vaccineren onnodig is ‘omdat die ziektes toch vrijwel niet meer voorkomen’ is ten zeerste af te raden! Eerdergenoemd ‘vaccinatie-interview’ is een uitstekende gelegenheid om dergelijke overwegingen met de eigenaar te bespreken.
En Leptospirose?
Voor Leptospirose heeft het weinig nut een jaarlijkse titerbepaling uit te voeren, al bestaat deze wel. Het Leptospirose-vaccin is, in tegenstelling tot de andere vaccins, een geïnactiveerd vaccin. De humorale antilichamenrespons daarop is in vrijwel alle gevallen laag en kort aan te tonen in het bloed; hooguit een jaar. Met een titerbepaling als de VacciCheck kunnen geen geheugencellen worden gemeten en de test zal dan ook in de meeste gevallen ten onrechte uitwijzen dat een dier matig of niet beschermd is. Wel kan de test worden ingezet bij dieren waarvan de klinische symptomen doen vermoeden dat ze besmet zijn met de Leptospirosebacterie. In het geval van besmetting zal de titerbepaling juist een zeer hoge titer geven, wat in normale gevallen vrijwel nooit voorkomt.
Het eerdergenoemde ‘vaccinatie-interview’ is een beter instrument voor de dierenarts om te bepalen of (her-)vaccinatie tegen Leptospirose of tegen een van de non-core vaccins (in Nederland Rabiës, Parainfluenza, Bordetella brochiseptia, coronavirus en herpesvirus) nodig is. Voor Nederland geldt dat Leptospirose een core-vaccin is en dus is het aan te raden hier jaarlijks tegen te vaccineren. En gaat een dier vaak naar een pension of show, dan kan overwogen worden om jaarlijks tegen kennelhoest te vaccineren. In andere gevallen kan besloten worden dit niet te doen. Deze beslissing dient in samenspraak tussen dierenarts en dierbezitter te gebeuren om zo te komen tot het vaccinatiebeleid van te toekomst: “Vaccineren op maat”!
Dit artikel verscheen ook in de Dier-en-Arts (december 2007), klik hier voor de download van het artikel.
[1] Abdelmagid, OY et. Al. Evaluation of the efficiacy and duration of immunity of a canine combination vaccine against virulent parvovirus, Infectuous Hepatitis Virus and Distemper Virus Experimental Challenges. Vet. Ther. 2004: 5 (3):173-86.
[2] Tizzard I Ni Y. Use of serologic testing to assess immune status of companion animals. J Am Vet Assoc 1998: 213: 54-60.
[3] Gill M et al. Three-year duration of immunity for Canine Distemper, Adenovirus and Parvovirus after vaccination with a multivalent canine vaccine. Intern J Appl Res Vet Med 2004; 2(4): 227-234.[4] Scott FW and Feissinger CM. Long-term immunity in cats vaccinated with an inactivated trivalent vaccine. Am J Vet Med Res. 1999; 60: 652-658.
[5] Lappin MR et al. Use of serologic tests to predict resistance to feline herpesvirus 1, feline calicivirus, and feline parvovirus infection in cats. J Am Vet Med Assoc. 2002: 2002; 1: 220 (1): 38-42.
[6] American Animal Hospital Association (AAHA) Canine Vaccine Task Force, Paul MA, Carmichael LE, Childers H, Cotter S, Davidson A, Ford R, Hurley KF, Roth JA, Schultz RD, Thacker E, Welborn L. 2006 AAHA Canine Vaccine Guidelines. J Am Anim Hosp Assoc. 2006 Mar-Apr;42(2): 80-9.
|